Op een goede dag las ik in de runners world een interview met Vincent Rouseau, een Belgische marathontopper destijds in de jaren ’90.
Een lotgenoot als het over wedstrijdspanning ging.
In dat interview vertelde hij dat hij vriendschap had gesloten met de stress die voor hem hoorde bij een (belangrijke) wedstrijd. ‘Die stresshormonen heb ik juist nodig om optimaal goed te kunnen presteren’ vertelde hij.
En die uitspraak heb ik in mijn geheugen geprent.
Daardoor verzette ik me niet meer tegen spanning die ik voelde voor een wedstrijd of zware training maar ik omarmde het juist. En het bleek dat ik daardoor veel minder energie kwijtraakte.
Conclusie: het innerlijke verzet tegen spanning is juist hetgeen het meeste energie kost.
M.a.w.: als het gevoel er niet mag zijn dan probeer je het weg te drukken en juist dat veroorzaakt een energielek.
Ik ben die ‘techniek’ later op meer dingen gaan toepassen zoals bijv. examenvrees, spreken in het openbaar of dat soort dingen.
En als je dus omarmt en het dan ook nog eens combineert met het verlengen van de uitademing dan heb je eigenlijk alles wat je nodig hebt om optimaal te kunnen presteren.